Bedrog en oplichting, onlosmakelijk met elkaar verbonden!?

Bedrog en oplichting, onlosmakelijk met elkaar verbonden!?

Bedrog en oplichting, onlosmakelijk met elkaar verbonden!? 

In het algemeen spraakgebruik wordt in situaties van bedrog al snel gesproken over ‘oplichting’.
Toch is van strafrechtelijke oplichting vaak nog geen sprake. Hoe dat zit, legt mr. Glismeijer uit in deze blog. 

Bedrog is een breed begrip. In de Van Dale wordt bedrog gedefinieerd als: “het opzettelijk wekken van onjuiste voorstellingen”.
Het is dan ook niet vreemd dat bedrog met oplichting wordt geassocieerd. En dat is ook niet geheel onjuist, want oplichting kan immers ook bedrog omvatten.

Oplichting is strafbaar gesteld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht (Sr). In dit wetsartikel zijn eisen gesteld, zodat niet iedere vorm van bedrog en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin binnen het bereik van het strafrecht wordt gebracht.
Zo heeft de wetgever in artikel 326 Sr vier oplichtingsmiddelen geformuleerd, namelijk: het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels.
Deze oplichtingsmiddelen kunnen de reikwijdte van oplichting inperken. In dit kader zijn de volgende twee voorbeelden illustratief.

  1. Een enkele leugen is onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van het oplichtingsmiddel samenweefsel van verdichtsels. Liegen levert dus niet per definitie een oplichtingsmiddel als in artikel 326 Sr op, terwijl in dat geval wel sprake is van bedrog. Immers, wordt met een leugen opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken gegeven.
  2. De enkele omstandigheid dat iemand via een website goederen te koop aanbood en bestellingen en betalingen van kopers accepteerde, terwijl hij wist dat hij niet (langer) aan zijn leverings- of restitutieverplichtingen kon voldoen, is onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van een valse hoedanigheid als “bonafide internetondernemer“.

Deze voorbeelden maken duidelijk dat in geval van bedrog niet per se sprake is van oplichting.

Maar wanneer is dan wel sprake van oplichting? 

In de kern gaat het er bij oplichting om dat iemand bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen om daarvan misbruik te maken [1].
Maar daarvoor dient niet alleen een oplichtingsmiddel te worden ingezet. Ook moet worden bewezen dat het slachtoffer door zo’n oplichtingsmiddel wordt “bewogen” tot bijvoorbeeld de afgifte van een goed of het betalen van een koopsom. Of sprake is van een causaal verband is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Bij de beoordeling van die omstandigheden van het geval wordt waarde gehecht aan de eigen verantwoordelijkheid van de bedrogen persoon. Had hij of zij gelet op de in het maatschappelijk verkeer gangbare voorzichtigheid die onjuiste voorstelling van zaken moeten herkennen. Daarbij is de persoonlijkheid van de betreffende persoon van belang, zoals leeftijd, kennis van zaken en verstandelijke vermogens.

Gedacht kan worden aan een marktplaatsadvertentie die wordt geplaatst onder het gebruik van een valse naam en bijpassend e-mailadres, waarbij een concertkaartje wordt aangeboden voor de helft van de prijs. Indien in zo’n geval pas na het sluiten van de “verkoopdeal” onder de mededeling “voor het vertrouwen” een kopie van een (vervalst) identiteitsbewijs wordt verstrekt, is geen sprake van oplichting als in artikel 326 Sr. In zo’n geval vindt het verstrekken van het kopie van het identiteitsbewijs namelijk pas na het sluiten van de deal plaats, waardoor de koper niet kan zijn bewogen door het oplichtingsmiddel. Reden voor het sluiten van de “verkoopdeal” is dan ook gelegen in de wens tot het kopen van het betreffende concertkaartje [2].

Recente vrijspraak van oplichting in beleggingsfraudezaak 

Dat niet elke vorm van bewust oneerlijk zakendoen ‘oplichting’ oplevert, volgt ook uit een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een omvangrijke beleggingsfraudezaak [3].
Ondanks dat sprake was van een omvangrijk dossier kon in die zaak niet worden bewezen dat de aangevers daadwerkelijk zijn bewogen tot het inleggen van beleggingsgeld door de inzet van oplichtingsmiddelen.
Meer in het specifiek overwoog het Hof dat uit de door die beleggers afgelegde verklaringen niet met voldoende zekerheid kon worden afgeleid dat zij door de in de dagvaarding genoemde oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot afgifte van de door hen ingelegde gelden.
Ook in deze omvangrijke zaak volgde een vrijspraak voor oplichting.

Bijstand in oplichtingszaken
Hiervoor merkte ik al op dat niet in alle gevallen waarin sprake is van bedrog ook sprake is van oplichting. Het is de moeite waard om in te zoomen op de omstandigheden van het geval, teneinde te bezien of de ‘slachtoffers’ daadwerkelijk zijn bewogen door een oplichtingsmiddel.
Wordt u of iemand in uw omgeving verdacht van oplichting? Schroom dan niet om contact op te nemen met ons kantoor.

Mr. M.M.C. (Mattanja) Glismeijer
Advocaat bij Van Essen Advocaten

[1] Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 (overzichtsarrest oplichting).
[2] Gerechtshof Amsterdam 27 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3945.
[3] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 januari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1186.

Met vriendelijke groet,

Mr. Mattanja Glismeijer
Advocaat

Deel dit bericht:
Recommended Posts