Beperkingen van gedetineerden in voorlopige hechtenis : een paardenmiddel

Beperkingen van gedetineerden in voorlopige hechtenis : een paardenmiddel

Medio april vindt er in de zaak van cliënt een zogenaamde ‘klapdag’ plaats: op verschillende plaatsen worden tegelijk invallen door justitie gedaan. Doel hiervan was om goederen in beslag te nemen en personen aan te houden, onder wie cliënt. Deze groep personen vormt in de visie van het Openbaar Ministerie een criminele organisatie die zich bezighoudt met – kortgezegd – overtreding van de wet op de kansspelen. Dezelfde dag en de dag erop worden in verschillende media nieuwsberichten verspreid, waarin melding van dit ‘succesje’ van justitie wordt gemaakt. Tegelijkertijd bevindt cliënt zich in voorarrest en mag met niemand contact hebben, behalve zijn advocaat.

Beperkingen
Tijdens het voorarrest kunnen aan verdachten beperkende maatregelen worden opgelegd. In de volksmond worden deze maatregelen “beperkingen” genoemd. Deze maatregelen beperken de verdachte in zijn mogelijkheden om – kortgezegd – contact met de buitenwereld te hebben. Veelal houden deze beperkingen in dat de verdachte geen andere personen dan zijn advocaat mag spreken, geen post mag versturen of ontvangen en geen gebruik mag maken van het internet (in hoeverre dat al mogelijk is in detentie). Soms worden “alle beperkingen” opgelegd, wat betekent dat de verdachte zelfs geen radio mag luisteren, geen televisie mag kijken en geen krant mag lezen.

Het spreekt voor zich dat beperkingen zeer ingrijpend zijn voor verdachten, van wie overigens nog helemaal niet vaststaat dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan een strafbaar feit. Door de voormalig voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Strafrechtadvocaten is oplegging van “alle beperkingen” – zeker als dit enige tijd voortduurt – “psychische marteling” genoemd. Dat is mijns inziens geen overtrokken term.

Beperkingen dienen volstrekt noodzakelijk te zijn
Volgens het Wetboek van Strafvordering dienen beperkingen “volstrekt noodzakelijk” te zijn. In de praktijk blijkt dat beperkingen vaak worden opgelegd zonder dat van die volstrekte noodzaak sprake is. Daarbij handelt het Openbaar Ministerie tijdens de beperkingen meer dan eens op een wijze waarmee zij het onderzoek zelf schade toebrengt. Zo ook in de zaak die aanleiding voor deze blog vormt. In deze zaak werden aan cliënt beperkingen opgelegd, om te voorkomen dat bewijsmiddelen door getuigen konden worden weggemaakt. Vervolgens ging er van het Openbaar Ministerie met veel bombarie een persbericht uit, waarin werd aangegeven dat er een criminele organisatie zou zijn aangehouden, waar deze was aangehouden en met welke strafbare feiten deze organisatie zich bezig zou houden. Mocht er al een risico bestaan dat bewijsmiddelen door derden zouden worden weggemaakt, dan heeft het Openbaar Ministerie met dat persbericht zelf het startschot daartoe gegeven.

Advocaat en beperkingen
Voor de advocaat gelden bij de beperkingen strenge regels. Hij mag niet met de buitenwereld communiceren over de inhoud van de zaak. Dit is vervelend en vaak niet begrijpelijk voor de achterblijvers: vrouw, ouders, kinderen et cetera. Bovendien wordt de advocaat door het opleggen van beperkingen bemoeilijkt in zijn verdediging. De advocaat mag bijvoorbeeld geen contact leggen met getuigen die kunnen bevestigen dat de verdachte een alibi heeft.

Mogelijkheden tegen beperkingen
De verdachte (of zijn advocaat) kan een bezwaarschrift indienen tegen het opleggen van beperkingen. De rechter zal dan beoordelen of de beperkingen (nog) volstrekt noodzakelijk in het belang van het onderzoek zijn. Aangezien beperkingen als zeer ingrijpend worden ervaren, is het van belang dat de advocaat snel handelt en een bezwaarschrift indient.

Het Openbaar Ministerie is meer dan eens weinig concreet in de motivering van de “volstrekte noodzaak” van de beperkingen. De rechter die op het bezwaarschrift oordeelt is daarbij niet gebonden aan een uitgebreide motiveringsverplichting en kan dan ook terugvallen op enkele standaardzinnen. Vanuit de advocatuur is hierover meer dan een klaagzang te horen geweest.

In de praktijk blijkt dat het regelmatig aan de mouw trekken van de officier van justitie een effectief middel is om de beperkingen opgeheven te krijgen.

En in de zaak van cliënt? De raadkamer van de rechtbank zag geen gevaar voor verstoring van het onderzoek, zeker niet aangezien er ruimschoots aandacht voor de zaak in de media is geweest. Ook zag de raadkamer geen redenen om cliënt in voorarrest te houden. Cliënt ging van “alle beperkingen” direct naar huis.

 

Mike Jonk

Advocaat bij Van Essen Advocaten

 

 

Deel dit bericht:
Recommended Posts