Bewijsrecht in zedenzaken

Michael P geen levenslang

Zedenzaken zijn vaak opgebouwd rondom de verklaring van een aangever c.q. aangeefster.
In de meeste gevallen ontkent de verdachte de beschuldigingen of bekent de verdachte enkel zijn/haar aanwezigheid op genoemde tijd en plaats.
Interessant is dan de vraag onder welke omstandigheden de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict tot een veroordeling kan leiden.

In deze blog gaan mr. Kötter en Iris Potgieter (student-stagiaire bij Van Essen Advocaten) in op de vraag of de aanwezigheid van een verdachte in een zedenzaak op de (vermeende) plaats delict voldoende is voor een veroordeling. 

Inleiding
De ervaring leert dat het bewijs in (zogenaamde) zedenzaken veelal erg mager is.
Een sprekend voorbeeld in dit kader lijkt toch wel de zaak van Nicky Verstappen met als verdachte Jos B. Op dit moment lijkt het belangrijkste én wellicht zelfs het enige bewijs in deze zaak het DNA van B. op verschillende kledingstukken van Nicky. Daarnaast zou er, volgens het Openbaar Ministerie (hierna: OM), DNA van B. op het lichaam van Nicky zijn aangetroffen.
De vraag rijst of dit voldoende is om B. te kunnen veroordelen voor misbruik en het om het leven brengen van Nicky.
Op dit moment legt B. nog geen (inhoudelijke) verklaring af, er zijn geen verklaringen van getuigen die het misbruik of andere handelingen hebben waargenomen en ander (objectief) bewijs ontbreekt eveneens. Zelfs al zou B. in de toekomst verklaren dat hij Nicky wel heeft gezien c.q. ontmoet en op de plaats delict is geweest, dan is het alsnog de vraag of een veroordeling kan volgen. Voornoemde maakt dat het OM in deze zaak bewijstechnisch gezien in een lastig parket lijkt te zitten.

Dat politie en justitie moeite (lijken te) hebben met het ‘rondkrijgen’ van een zedenzaak is iets dat we vaker zien. Het bewijs bestaat vaak uit verklaringen die elkaar tegenspreken. Het is dan vervolgens aan de rechter om te beoordelen of aan de hand van dit toch vaak zwakke bewijs een veroordeling kan volgen voor deze (zeer) ernstige feiten.
In sommige gevallen kan objectief worden vastgesteld dat een verdachte wel contact heeft gehad met een (vermeend) slachtoffer of dat de verdachte op de plaats delict is geweest. Interessant is dan ook de vraag onder welke omstandigheden de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict tot een veroordeling kan leiden.
In deze blog gaan wij in op voornoemde vraag en bespreken wij de relevante en bepalende factoren hierbij.

Het bewijsrecht in het algemeen
Allereerst een aantal algemene opmerkingen over het bewijsrecht in strafzaken.
In Nederland geldt een negatief-wettelijk bewijsstelsel. Dit houdt in dat de rechter is gebonden aan bewijsminimumregels en slechts tot een veroordeling kan komen indien er voldoende wettig en overtuigend bewijs is.

De bewijsmiddelen zijn limitatief opgesomd in de wet en bestaan uit:
1) de eigen waarneming van de rechter;
2) de verklaring van de verdachte;
3) de verklaring van een getuige;
4) de verklaring van een deskundige en
5) schriftelijke bescheiden.

In het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staan een aantal bewijsregels opgesomd.
De hoofdregel luidt dat een veroordeling moet steunen op minimaal twee bewijsmiddelen.
Zo volgt uit artikel 342 lid 2 Sv namelijk dat een verklaring van één getuige onvoldoende is (de zogeheten unus testis nullus testis-regel).

Het tweede bewijsmiddel hoeft niet alle onderdelen van een tenlastelegging te ondersteunen, niet de specifieke gedraging in de kern te bevestigen en zelfs niet de betrokkenheid van de verdachte te bevestigen.[1] Het tweede bewijsmiddel moet wel afkomstig zijn uit een andere bron.
Ons hoogste rechtscollege – de Hoge Raad der Nederlanden – heeft in zijn rechtspraak de voornoemde regels aangescherpt en eist dat het tweede bewijsmiddel het eerste bewijsmiddel ‘voldoende steun’ moeten bieden en dat tussen de bewijsmiddelen niet ‘een te ver verwijderd verband’ mag bestaan.[2]
De Hoge Raad benadrukt dat de vraag wanneer sprake is van ‘voldoende steun’ zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar dit een concrete beoordeling van het geval vergt.

Bijzonderheden m.b.t. bewijs in zedenzaken
Het hiervoor uiteengezette bewijsstelsel lijkt bij zedendelicten toch iets genuanceerder en gecompliceerder te liggen. Een strikte toepassing van de hiervoor genoemde bewijsregels heeft namelijk als gevolg dat veel zedenzaken – bij een ontkennende verdachte – onbewijsbaar worden. Anderzijds willen we natuurlijk ook voorkomen dat mensen onschuldig in de cel verdwijnen.

Deze belangenafweging heeft ertoe geleid dat een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaring van het slachtoffer (de aangifte) voldoende kan zijn om tot een bewezenverklaring te komen. Evenwel dient de rechter in dergelijke grensgevallen in zijn beslissing te verantwoorden waarom de bewezenverklaring voornamelijk op de verklaring van het slachtoffer wordt gebaseerd.

Uit onder andere een uitspraak van de Hoge Raad van 2009 volgt dat de enkele aanwezigheid van de verdachte van een zedenmisdrijf op de plaats delict (vooralsnog) niet voldoende steunbewijs oplevert. Naast een eventuele aangifte zijn dus meer feiten en omstandigheden vereist. Dit is zeker het geval indien de aanwezigheid van de verdachte niet vreemd of bijzonder is. Hierbij valt te denken aan een verdenking van ontucht door een familielid die met het slachtoffer samen in huis woont.
Dit alles heeft geleid tot een toename van rechtspraak met betrekking tot bewijsvoering in zedenzaken. Hierna bespreken wij verschillende van deze zaken.

Te beginnen met een zaak waarin de verdachte werd beschuldigd van het meermalen plegen van ontucht met zijn 8-jarige kleindochter. Deze handelingen zouden telkens hebben plaatsgevonden tijdens logeerpartijtjes bij de grootouders van het slachtoffer. De moeder van het slachtoffer verklaart dat zij tijdens het opruimen op de slaapkamer van haar dochter een opgevouwen briefje heeft gevonden waaro p stond dat zij met haar opa had moeten ‘seksen’ en dat opa haar de mooiste van de familie vond. Op dit briefje stond de datum 13 december 2008. De moeder verklaart in haar aangifte dat zij vervolgens in gesprek is gegaan met haar dochter en dat haar dochter bevestigde dat zij werd aangeraakt door opa.
Verdachte bevestigt dat bewuste logeerpartijen hebben plaatsgevonden, maar hij ontkent zijn kleindochter te hebben misbruikt.
In hoger beroep oordeelt het gerechtshof dat het in dit geval van belang is dat de dagboekaantekening van het slachtoffer niet door haarzelf naar voren is gebracht, maar bij toeval door haar moeder is gevonden en dat het slachtoffer eerst daarna omtrent het seksuele misbruik door de verdachte heeft verklaard. Die dagboekaantekening en de daaruit voortgekomen verklaringen worden bovendien in belangrijke mate ondersteund door de verklaringen van haar moeder en de verdachte, voor zover daarin wordt bevestigd dat de bewuste logeerpartijen hebben plaatsgevonden. De verdachte legt zijn zaak voor aan de Hoge Raad. De Hoge Raad komt tot het oordeel dat het gerechtshof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd en laat de veroordeling in stand.[3]

Dat deze problematiek casuïstisch van aard is volgt wel uit de navolgende zaak. In een zaak uit 2010 werd verdachte verweten dat hij een periode van ruim drie jaren meerdere malen ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn 8- jarige stiefdochter.[4]
Op het eerste gezicht lijkt het dus te gaan om een vergelijkbare zaak, maar de uitkomst is volledig anders.
Gelet op de gedetailleerde verklaringen van het slachtoffer, de geconstateerde gedragsverandering door de basisschooljuf en de verklaring van verdachte dat hij ten tijde van de ten laste gelegde periode met de moeder van het slachtoffer en het slachtoffer heeft samengewoond, komt het gerechtshof in hoger beroep tot een bewezenverklaring.
De verdachte is het niet eens met deze veroordeling en legt zijn zaak voor bij de Hoge Raad. De Hoge Raad deelt de conclusie van het gerechtshof niet en vernietigt de uitspraak van het hof. Volgens de Hoge Raad is het oordeel van het hof dat de verdachte het ten late gelegde heeft begaan, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk. De Hoge Raad licht niet toe waarom deze bewijsconstructie onbegrijpelijk is.

Verder valt uit de rechtspraak op dat het in de praktijk van betekenis lijkt te zijn wanneer de verklaring van de verdachte betreffende zijn aanwezigheid en de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op essentiële punten overeenkomt met de verklaring van het slachtoffer.[5] Ook valt uit de rechtspraak af te leiden dat wanneer de aanwezigheid van de verdachte in de context niet tamelijk bijzonder is, deze kan worden ondersteund door een getuigenverklaring omtrent de geestelijke/of fysieke gesteldheid van het slachtoffer. Een voorbeeld hiervan is een zaak waarin het slachtoffer direct na de ontuchtige handelingen in paniek naar de buurvrouw rent. De aanwezigheid van de verdachte in combinatie met de getuigenverklaring van de buurvrouw over de emotionele gesteldheid van het slachtoffer lijkt in deze zaak van doorslaggevende betekenis te zijn.[6]
De aanwezigheid van de verdachte kan ook steun vinden in een vraag of opmerking van de verdachte die past binnen de context van het tenlastegelegde feit. Zo heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een verdachte veroordeeld voor het plegen van ontucht met een leerling onder meer doordat een klasgenoot van het slachtoffer heeft gehoord dat de verdachte aan het slachtoffer vroeg: ‘Vond je het ongemakkelijk?’. Nu de verdachte zijn aanwezigheid bekent en geen alternatieve verklaring voor voornoemde vraag heeft gegeven, laat de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof in stand.[7]

Uit de hiervoor besproken rechtspraak volgt simpelweg dat het zeer lastig is om standaard factoren en omstandigheden aan te wijzen waaronder de aanwezigheid van een verdachte op de plaats delict naast een enkele aangifte van een zedenmisdrijf een veroordeling oplevert. Juist in zedenzaken, waarin de aanwezigheid van verdachte een rol kan spelen, zou het dan ook wenselijk zijn dat de rechter zijn beslissing wat uitgebreider motiveert.

Bent u dan wel iemand in uw omgeving beland in een vermeende zedenzaak?
Schroom niet om contact op te nemen met ons kantoor.

Mr. J.E. (Justin) Kötter, advocaat bij Van Essen Advocaten
Iris Potgieter, student-stagiaire bij Van Essen Advocaten

[1] HR 17 januari 1927, NJ 1927, 189 en zijn daaropvolgende jurisprudentie.
[2] HR 30 juni 2009, LJN BH3704 en BG7746.
[3] HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BS7910.
[4] HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.
[5] HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728. Zie ook de conclusie van Advocaat-Generaal Bleichrodt voorafgaand aan HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1117.
[6] HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1117.
[7] HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1890.

Zedenzaken zijn vaak opgebouwd rondom de verklaring van een aangever c.q. aangeefster.
In de meeste gevallen ontkent de verdachte de beschuldigingen of bekent de verdachte enkel zijn/haar aanwezigheid op genoemde tijd en plaats.
Interessant is dan de vraag onder welke omstandigheden de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict tot een veroordeling kan leiden.

In dit blog gaan mr. Kötter en Iris Potgieter (student-stagiaire bij Van Essen Advocaten) in op de vraag of de aanwezigheid van een verdachte in een zedenzaak op de (vermeende) plaats delict voldoende is voor een veroordeling. 

Inleiding
De ervaring leert dat het bewijs in (zogenaamde) zedenzaken veelal erg mager is.
Een sprekend voorbeeld in dit kader lijkt toch wel de zaak van Nicky Verstappen met als verdachte Jos B. Op dit moment lijkt het belangrijkste én wellicht zelfs het enige bewijs in deze zaak het DNA van B. op verschillende kledingstukken van Nicky. Daarnaast zou er, volgens het Openbaar Ministerie (hierna: OM), DNA van B. op het lichaam van Nicky zijn aangetroffen.
De vraag rijst of dit voldoende is om B. te kunnen veroordelen voor misbruik en het om het leven brengen van Nicky.
Op dit moment legt B. nog geen (inhoudelijke) verklaring af, er zijn geen verklaringen van getuigen die het misbruik of andere handelingen hebben waargenomen en ander (objectief) bewijs ontbreekt eveneens. Zelfs al zou B. in de toekomst verklaren dat hij Nicky wel heeft gezien c.q. ontmoet en op de plaats delict is geweest, dan is het alsnog de vraag of een veroordeling kan volgen. Voornoemde maakt dat het OM in deze zaak bewijstechnisch gezien in een lastig parket lijkt te zitten.

Dat politie en justitie moeite (lijken te) hebben met het ‘rondkrijgen’ van een zedenzaak is iets dat we vaker zien. Het bewijs bestaat vaak uit verklaringen die elkaar tegenspreken. Het is dan vervolgens aan de rechter om te beoordelen of aan de hand van dit toch vaak zwakke bewijs een veroordeling kan volgen voor deze (zeer) ernstige feiten.
In sommige gevallen kan objectief worden vastgesteld dat een verdachte wel contact heeft gehad met een (vermeend) slachtoffer of dat de verdachte op de plaats delict is geweest. Interessant is dan ook de vraag onder welke omstandigheden de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict tot een veroordeling kan leiden.
In deze blog gaan wij in op voornoemde vraag en bespreken wij de relevante en bepalende factoren hierbij.

Het bewijsrecht in het algemeen
Allereerst een aantal algemene opmerkingen over het bewijsrecht in strafzaken.
In Nederland geldt een negatief-wettelijk bewijsstelsel. Dit houdt in dat de rechter is gebonden aan bewijsminimumregels en slechts tot een veroordeling kan komen indien er voldoende wettig en overtuigend bewijs is.

De bewijsmiddelen zijn limitatief opgesomd in de wet en bestaan uit:
1) de eigen waarneming van de rechter;
2) de verklaring van de verdachte;
3) de verklaring van een getuige;
4) de verklaring van een deskundige en
5) schriftelijke bescheiden.

In het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staan een aantal bewijsregels opgesomd.
De hoofdregel luidt dat een veroordeling moet steunen op minimaal twee bewijsmiddelen.
Zo volgt uit artikel 342 lid 2 Sv namelijk dat een verklaring van één getuige onvoldoende is (de zogeheten unus testis nullus testis-regel).

Het tweede bewijsmiddel hoeft niet alle onderdelen van een tenlastelegging te ondersteunen, niet de specifieke gedraging in de kern te bevestigen en zelfs niet de betrokkenheid van de verdachte te bevestigen.[1] Het tweede bewijsmiddel moet wel afkomstig zijn uit een andere bron.
Ons hoogste rechtscollege – de Hoge Raad der Nederlanden – heeft in zijn rechtspraak de voornoemde regels aangescherpt en eist dat het tweede bewijsmiddel het eerste bewijsmiddel ‘voldoende steun’ moeten bieden en dat tussen de bewijsmiddelen niet ‘een te ver verwijderd verband’ mag bestaan.[2]
De Hoge Raad benadrukt dat de vraag wanneer sprake is van ‘voldoende steun’ zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar dit een concrete beoordeling van het geval vergt.

Bijzonderheden m.b.t. bewijs in zedenzaken
Het hiervoor uiteengezette bewijsstelsel lijkt bij zedendelicten toch iets genuanceerder en gecompliceerder te liggen. Een strikte toepassing van de hiervoor genoemde bewijsregels heeft namelijk als gevolg dat veel zedenzaken – bij een ontkennende verdachte – onbewijsbaar worden. Anderzijds willen we natuurlijk ook voorkomen dat mensen onschuldig in de cel verdwijnen.

Deze belangenafweging heeft ertoe geleid dat een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaring van het slachtoffer (de aangifte) voldoende kan zijn om tot een bewezenverklaring te komen. Evenwel dient de rechter in dergelijke grensgevallen in zijn beslissing te verantwoorden waarom de bewezenverklaring voornamelijk op de verklaring van het slachtoffer wordt gebaseerd.

Uit onder andere een uitspraak van de Hoge Raad van 2009 volgt dat de enkele aanwezigheid van de verdachte van een zedenmisdrijf op de plaats delict (vooralsnog) niet voldoende steunbewijs oplevert. Naast een eventuele aangifte zijn dus meer feiten en omstandigheden vereist. Dit is zeker het geval indien de aanwezigheid van de verdachte niet vreemd of bijzonder is. Hierbij valt te denken aan een verdenking van ontucht door een familielid die met het slachtoffer samen in huis woont.
Dit alles heeft geleid tot een toename van rechtspraak met betrekking tot bewijsvoering in zedenzaken. Hierna bespreken wij verschillende van deze zaken.

Te beginnen met een zaak waarin de verdachte werd beschuldigd van het meermalen plegen van ontucht met zijn 8-jarige kleindochter. Deze handelingen zouden telkens hebben plaatsgevonden tijdens logeerpartijtjes bij de grootouders van het slachtoffer. De moeder van het slachtoffer verklaart dat zij tijdens het opruimen op de slaapkamer van haar dochter een opgevouwen briefje heeft gevonden waaro p stond dat zij met haar opa had moeten ‘seksen’ en dat opa haar de mooiste van de familie vond. Op dit briefje stond de datum 13 december 2008. De moeder verklaart in haar aangifte dat zij vervolgens in gesprek is gegaan met haar dochter en dat haar dochter bevestigde dat zij werd aangeraakt door opa.
Verdachte bevestigt dat bewuste logeerpartijen hebben plaatsgevonden, maar hij ontkent zijn kleindochter te hebben misbruikt.
In hoger beroep oordeelt het gerechtshof dat het in dit geval van belang is dat de dagboekaantekening van het slachtoffer niet door haarzelf naar voren is gebracht, maar bij toeval door haar moeder is gevonden en dat het slachtoffer eerst daarna omtrent het seksuele misbruik door de verdachte heeft verklaard. Die dagboekaantekening en de daaruit voortgekomen verklaringen worden bovendien in belangrijke mate ondersteund door de verklaringen van haar moeder en de verdachte, voor zover daarin wordt bevestigd dat de bewuste logeerpartijen hebben plaatsgevonden. De verdachte legt zijn zaak voor aan de Hoge Raad. De Hoge Raad komt tot het oordeel dat het gerechtshof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd en laat de veroordeling in stand.[3]

Dat deze problematiek casuïstisch van aard is volgt wel uit de navolgende zaak. In een zaak uit 2010 werd verdachte verweten dat hij een periode van ruim drie jaren meerdere malen ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn 8- jarige stiefdochter.[4]
Op het eerste gezicht lijkt het dus te gaan om een vergelijkbare zaak, maar de uitkomst is volledig anders.
Gelet op de gedetailleerde verklaringen van het slachtoffer, de geconstateerde gedragsverandering door de basisschooljuf en de verklaring van verdachte dat hij ten tijde van de ten laste gelegde periode met de moeder van het slachtoffer en het slachtoffer heeft samengewoond, komt het gerechtshof in hoger beroep tot een bewezenverklaring.
De verdachte is het niet eens met deze veroordeling en legt zijn zaak voor bij de Hoge Raad. De Hoge Raad deelt de conclusie van het gerechtshof niet en vernietigt de uitspraak van het hof. Volgens de Hoge Raad is het oordeel van het hof dat de verdachte het ten late gelegde heeft begaan, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk. De Hoge Raad licht niet toe waarom deze bewijsconstructie onbegrijpelijk is.

Verder valt uit de rechtspraak op dat het in de praktijk van betekenis lijkt te zijn wanneer de verklaring van de verdachte betreffende zijn aanwezigheid en de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op essentiële punten overeenkomt met de verklaring van het slachtoffer.[5] Ook valt uit de rechtspraak af te leiden dat wanneer de aanwezigheid van de verdachte in de context niet tamelijk bijzonder is, deze kan worden ondersteund door een getuigenverklaring omtrent de geestelijke/of fysieke gesteldheid van het slachtoffer. Een voorbeeld hiervan is een zaak waarin het slachtoffer direct na de ontuchtige handelingen in paniek naar de buurvrouw rent. De aanwezigheid van de verdachte in combinatie met de getuigenverklaring van de buurvrouw over de emotionele gesteldheid van het slachtoffer lijkt in deze zaak van doorslaggevende betekenis te zijn.[6]
De aanwezigheid van de verdachte kan ook steun vinden in een vraag of opmerking van de verdachte die past binnen de context van het tenlastegelegde feit. Zo heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een verdachte veroordeeld voor het plegen van ontucht met een leerling onder meer doordat een klasgenoot van het slachtoffer heeft gehoord dat de verdachte aan het slachtoffer vroeg: ‘Vond je het ongemakkelijk?’. Nu de verdachte zijn aanwezigheid bekent en geen alternatieve verklaring voor voornoemde vraag heeft gegeven, laat de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof in stand.[7]

Uit de hiervoor besproken rechtspraak volgt simpelweg dat het zeer lastig is om standaard factoren en omstandigheden aan te wijzen waaronder de aanwezigheid van een verdachte op de plaats delict naast een enkele aangifte van een zedenmisdrijf een veroordeling oplevert. Juist in zedenzaken, waarin de aanwezigheid van verdachte een rol kan spelen, zou het dan ook wenselijk zijn dat de rechter zijn beslissing wat uitgebreider motiveert.

Bent u dan wel iemand in uw omgeving beland in een vermeende zedenzaak?
Schroom niet om contact op te nemen met ons kantoor.

Mr. J.E. (Justin) Kötter, advocaat bij Van Essen Advocaten
Iris Potgieter, student-stagiaire bij Van Essen Advocaten

[1] HR 17 januari 1927, NJ 1927, 189 en zijn daaropvolgende jurisprudentie.
[2] HR 30 juni 2009, LJN BH3704 en BG7746.
[3] HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BS7910.
[4] HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.
[5] HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728. Zie ook de conclusie van Advocaat-Generaal Bleichrodt voorafgaand aan HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1117.
[6] HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1117.
[7] HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1890.

Deel dit bericht:
Gerelateerde Posts