Contact tussen ouder(s) en kind(eren) tijdens ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

IMG_1155

Van Essen advocaten verleent regelmatig bijstand in kwesties die zien op ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen van kinderen. Een uithuisplaatsing maakt veelal een zeer grote inbreuk op het gezinsleven van ouder(s) en kind(eren). Het uitgangspunt bij een machtiging tot uithuisplaatsing blijft dat toegewerkt dient te worden naar een thuisplaatsing van het kind. Hierbij is het van belang dat het contact tussen kind(eren) en ouder(s) zo goed mogelijk is. De ervaring leert ons dat dit uitgangspunt in de praktijk niet altijd lijkt te worden nagestreefd. Ouders verzoeken bijvoorbeeld regelmatig om een uitbreiding van bezoekregelingen, maar krijgen deze zeer zeker niet altijd. Kan men hier iets tegen doen? In deze blog gaat mr. Kötter in op deze vraag.

Een ouder komt bij de invulling van de opvoeding en verzorging van het kind veel vrijheid toe. Het is in beginsel niet aan de overheid om invulling te geven aan de verzorging en opvoeding van kinderen. In dit kader is onder andere van belang dat uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens volgt dat iedereen recht heeft op respect voor zijn/haar privéleven, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie. Dit artikel brengt een plicht mee voor de overheid om zich van inmengingen in het gezinsleven te onthouden.

Toch kan een ingrijpen in sommige gevallen niet uitblijven. De overheid heeft de plicht om kinderen te beschermen tegen aantasting van hun lichamelijke en geestelijke integriteit.
Uit artikel 19 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind volgt dat het vervolgens aan de overheid is passende maatregelen te nemen om het kind te beschermen.

Een uithuisplaatsing van het kind moet worden gezien als een uiterst middel, omdat een uithuisplaatsing een stevige inbreuk maakt op het gezinsleven van ouder(s) en kind(eren).
Bij een uithuisplaatsing van het kind is het uitgangspunt dat toegewerkt dient te worden naar een thuisplaatsing. Het is hierbij aan de betrokken instanties om het contact tussen ouder(s) en kind(eren) te stimuleren. De wet biedt wel de mogelijkheid om de contacten tussen een met gezag belaste ouder en een minderjarige te beperken voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van het kind.[1]In dat geval zal de gecertificeerde instelling (een gecertificeerde instelling houdt zich bezig met jeugdbescherming en jeugdreclassering, hierna GI) de beslissing omtrent het beperken van het contact middels een schriftelijke aanwijzing kenbaar maken aan de ouder.

Maar wat kunt u dan als ouder doen?

De ouder, van een uithuisgeplaatst kind, heeft de mogelijkheid om bij de GI te verzoeken om een uitbreiding van het contact tussen ouder en kind.
De GI zal vervolgens schriftelijk dienen te beslissen op dit verzoek.
De GI geeft haar beslissing binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.
De (afwijzende) beslissing van de GI kan vervolgens worden voorgelegd aan de kinderrechter. De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.
Het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de GI staat gelijk met een afwijzing van het verzoek.

Een afwijzende beslissing op het verzoek tot uitbreiding van het contact tussen ouder en kind dient goed te worden gemotiveerd. In dit kader sta ik stil bij een noemenswaardige zaak die afgelopen jaar liep bij de Rechtbank Limburg.[2]

In deze zaak verbleven de twee kinderen, met een daartoe verleende machtiging tot uithuisplaatsing, in een pleeggezin. De vader verzocht om een uitbreiding van de bezoekregeling. Door de GI werd per e-mail afwijzend gereageerd op dit verzoek, omdat – kort gezegd – de vader niet op een bij de leeftijd van de kinderen passende manier aansluit bij de belevingswereld van de kinderen en zich soms te dominant presenteert. De vader legt de kwestie voor aan de rechtbank. De vader heeft de kinderrechter verzocht de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren en voor de duur van de uithuisplaatsing een nieuwe contractregeling vast te stellen. Uit de uitspraak van de kinderrechter blijkt duidelijk dat de rechtbank het niet eens was met de handelswijze van de GI. De kinderrechter oordeelt dat de beslissing van de GI onvoldoende is gemotiveerd. De overwegingen van de kinderrechter zijn zeer helder en mijns inziens volstrekt terecht. De kinderrechter oordeelt:

‘De stelling van de GI dat er nog veel meer verslagen van anaCare over de contactmomenten zijn die steun bieden aan de afwijzende beslissing, snijdt geen hout. Dat de GI om haar moverende redenen deze verslagen niet heeft overgelegd doet er niet aan af dat de in die verslagen verwerkte informatie niet ter onderbouwing van de afwijzende beslissing kan dienen, als de GI geen inzicht biedt in deze informatie en niet concreet aangeeft wat van die informatie op welke wijze steun biedt aan de beslissing om het contact niet uit te breiden.
Naast de al genoemde in algemene zin uit artikel 1:262, lid 3 BW voortvloeiende plicht van de GI de gezinsband te bevorderen, acht de kinderrechter het feit dat de duur van de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de beschikking van 27 maart 2018 tot 28 februari 2019 beperkt is, redengevend om hoge eisen te stellen aan de motivering van de thans ter beoordeling voorliggende beslissing. Uitgangspunt bij een machtiging tot uithuisplaatsing is dat toegewerkt dient te worden naar een thuisplaatsing. Verlening of verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing voor een beperktere periode dan verzocht impliceert dat op kortere termijn meer duidelijkheid moet worden verschaft over de vraag waar het perspectief van de minderjarige(n) ligt, waarbij thuisplaatsing als gezegd uitgangspunt is. In voorkomend geval zal heel duidelijk beargumenteerd moeten worden waarom (verder) toewerken naar zo’n thuisplaatsing door middel van het uitbreiden van eerder beperkte contacten volgens de GI niet mogelijk of aan de orde is.Overigens staat zelfs de eventuele constatering dat het perspectief van de minderjarige(n) niet meer bij (een van) de ouders ligt niet zonder meer in de weg aan uitbreiding van het contact tussen een ouder en zijn of haar kind. In het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen is de kinderrechter van oordeel dat de e-mail van 31 juli 2018 van de GI (ook op dit punt) een deugdelijke motivering ontbeert.
Op grond van het voorgaande zal de kinderrechter de in de e-mail van 31 juli 2018 vervatte schriftelijke aanwijzing geheel vervallen verklaren.’

Zelf bijstand nodig?
Naast dat Van Essen Advocaten verdachten bijstaat in strafzaken, staan wij rechtzoekenden bij in familierechtkwesties zoals ondertoezichtstellingen (OTS), uithuisplaatsingen (UHP) en echtscheidingsprocedures. Wenst u onze bijstand? Schroom niet om contact op te nemen met ons kantoor.

Mr. J.E. Kötter
Advocaat bij Van Essen Advocaten


[1]Dit volgt o.a. uit artikel 1:265f BW.
[2]Rechtbank Limburg zp. Maastricht, ECLI:NL:RBLIM:2018:9532.
Deel dit bericht:
Gerelateerde Posts