De ontnemingsmaatregel. Wat is dat precies?

ontnemingsmaatregel

De ontnemingsmaatregel. Wat is dat precies?

Het afpakken van crimineel geld is voor het Openbaar Ministerie topprioriteit. Eind januari werd bekend gemaakt dat in 2018 ruim 171 miljoen aan crimineel vermogen is “afgepakt”.[1] Te weinig, als we het persbericht van het Openbaar Ministerie moeten geloven. Een belangrijk instrument dat bij het afpakken wordt ingezet, is de ontnemingsmaatregel. In dit blog legt mr. Glismeijer uit wat de ontnemingsmaatregel precies inhoudt en hoe een zodanige procedure in zijn werk gaat.

De ontnemingsmaatregel verplicht de veroordeelde een geldbedrag aan de Staat terug te betalen “ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel”. Het gaat er dus om dat criminele gelden van degene die ze heeft verworven, worden afgepakt.

Geen straf, maar maatregel

De ontnemingsmaatregel is geen straf, maar – zoals de naam al doet vermoeden – een maatregel. Ondanks dat een ontneming wel pijn kan doen in de portemonnee is het doel van een ontneming gelegen in het herstellen van de oorspronkelijke toestand. Dit wordt ook wel het reparatoire karakter genoemd.

De wettelijke basis

De wettelijke basis voor de ontnemingsmaatregel is artikel 36e Wetboek van Strafrecht (Sr).

In lid 1 van dit artikel is bepaald dat de ontnemingsmaatregel op vordering van het Openbaar Ministerie bij een rechterlijke beslissing kan worden opgelegd. Het Openbaar Ministerie is dus als eerst aan zet en dient een vordering uit te brengen. Uiteindelijk is het de rechter die in een aparte procedure (de ontnemingsprocedure) een ontnemingsmaatregel kan opleggen.

Gevallen waarin de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd

In lid 2 en 3 van artikel 36e Sr worden de vier gevallen genoemd wanneer de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd. Deze vier gevallen zullen hieronder achtereenvolgens worden besproken.

1. Het voordeel is verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld (“het gronddelict”)
Wanneer de ontnemingsmaatregel wordt gebaseerd op voordeel uit een gronddelict staat de bewezenverklaring van dat gronddelict niet meer ter discussie. De ontnemingsrechter gaat dan uit van de veroordeling die in de strafzaak heeft plaatsgevonden. Tijdens de ontnemingsprocedure dient enkel nog te worden bepaald of ook in voldoende mate vaststaat dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

2. Het voordeel is verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten

Aangetoond dient te worden dat het aannemelijk is dat er voordeel is behaald uit andere strafbare feiten. Dit voordeel hoeft niet wettig en overtuigend te worden bewezen, omdat de strafvorderlijke bewijsregels niet gelden bij de vraag of voldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten zijn gepleegd door de betrokkene. Zo is de rechter niet gebonden aan het bewijsminimum en gaat ook de plicht tot opsomming van wettige bewijsmiddelen uit artikel 339 Wetboek van Strafvordering (Sv) niet op.

Wel dient te worden vastgesteld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat het voordeel is behaald. Door de wetgever en (tot op heden) de Hoge Raad is nooit geconcretiseerd wat precies onder “voldoende aanwijzingen” wordt verstaan.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in het Geerings arrest echter aansluiting gezocht bij de toets in strafzaken, namelijk of overtuigend bewijs bestaat dat een verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd.[2] Ook bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel gaat het immers om de toerekening van strafbare feiten aan de betrokkene.

3. Betrokkene is veroordeeld voor een misdrijf waar een geldboete van de vijfde categorie op staat en het is aannemelijk dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen

De aannemelijkheid zoals hier bedoeld ziet op het toerekenen van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde. Het gaat hier dus – in tegenstelling tot de voldoende aanwijzingen als bedoeld in lid 2 – niet om het toerekenen van andere strafbare feiten, maar om het toerekenen van verkregen voordeel dat te relateren is aan misdrijven. Deze misdrijven hoeven niet door betrokkene zelf te zijn gepleegd. Het is zelfs niet noodzakelijk dat duidelijk wordt welke misdrijven ten grondslag liggen aan het verkregen voordeel.[3]

Ontneming op grond van lid 3 is enkel beperkt tot het wederrechtelijk voordeel waarvan het bestaan en de omvang door middel van wettige bewijsmiddelen aannemelijk is gemaakt.

4. Wederrechtelijk verkregen vermogen gebaseerd op het wettelijk bewijsvermoeden

De vierde situatie is eigenlijk nauw verweven met de derde situatie. Ook hier dient de betrokkene te zijn veroordeeld voor een misdrijf waar een geldboete van de vijfde categorie op staat. Verschil is dat in dit geval sprake dient te zijn van een wettelijk bewijsvermoeden van een criminele levensstijl. Dit vermoeden moet dus worden onderbouwd aan de hand van wettige bewijsmiddelen.

Met de introductie van dit bewijsvermoeden heeft de wetgever het makkelijker willen maken voor het Openbaar Ministerie. Immers als de rechter het bewijsvermoeden toepast wordt van alle uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan en alle voorwerpen die aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren, verondersteld dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Het is dan aan de verdediging om aannemelijk te maken dat aan die uitgaven en voorwerpen een legale inkomstenbron ten grondslag ligt.

De betalingsverplichting

Nadat de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat, stelt de rechter ook een betalingsverplichting vast. Dit bedrag kan afwijken van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Op grond van artikel 36e lid 5 Sr kan de verdediging de rechter verzoeken de betalingsverplichting te matigen of kwijt te schelden. Bij een verweer tot matiging of kwijtschelding kan eventuele betalingsonmacht een rol spelen. Bij een beroep op betalingsonmacht is niet alleen de huidige, maar ook de toekomstige draagkracht van de veroordeelde bepalend. Indien evident is dat nimmer zal kunnen worden betaald, kan de rechter daarmee rekening houden.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat rechters de bevoegdheid tot matiging van de betalingsverplichting niet alleen “in gevallen van beperkte draagkracht kan worden toegepast”.[4]

Een andere reden voor matiging van de betalingsverplichting kan bijvoorbeeld zijn gelegen in de schending van de redelijke termijn.[5]

Het is van belang dat in geval van betalingsonmacht tijdig verweer wordt gevoerd. Immers is de betalingsverplichting het bedrag dat de veroordeelde uiteindelijk aan de Staat dient te betalen. In het geval de veroordeelde niet betaalt, loopt hij loopt het risico maximaal drie jaar lijfsdwang (vrijheidsbeneming) te moeten ondergaan.

Bijstand nodig? Neem contact op met ons kantoor.

Tijdens een ontnemingsprocedure heeft de veroordeelde recht op bijstand van een advocaat. Dat is ook aan te raden, omdat een ontnemingsmaatregel grote gevolgen met zich kan brengen. Van Essen Advocaten heeft de expertise in huis u bij te staan in een ontnemingsprocedure. Mocht u, of een bekende, betrokken zijn in een ontnemingszaak, of mocht u een kwijtscheldings- of verminderingsverzoek willen indienen, neem dan contact op met ons kantoor via 020-3080085.

 

[1] Functioneel Parket, “Ruim 171 miljoen euro van criminelen vloeit in schatkist in 2018”, via de website van het Openbaar Ministerie 23 januari 2019.

[2] EHRM 1 maart 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA1112.

[3] Kamerstukken II 1990/91, nr. 21504, 3, (MvA),KamerstukkenII1990/91, nr. 21504, 5 (MvT), p. 18 en KamerstukkenII1991/92, nr. 21504, 8, p. 6.

[4] Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:860.

[5] Gerechtshof Amsterdam 13 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:448.

Deel dit bericht:
Recommended Posts