Witwassen in beweging

money-laundering-1963184_1920

Witwassen in beweging

De aanpak van witwassen heeft hoge prioriteit voor de politie en het Openbaar Ministerie. Reden waarom witwaszaken geregeld voor de rechter komen. Jurisprudentie rondom de witwasbepalingen is dan ook in beweging. Vooral het vermoeden dat het voorwerp afkomstig is uit een eigen misdrijf leidt nogal eens tot interessante uitspraken van de Hoge Raad. Waarom dat zo is, legt mr. Glismeijer uit in dit blog. 

De strafbaarstelling van witwassen
Witwassen is een relatief “jong” delict en is sinds 2001 strafbaar gesteld. Daarvoor werd witwassen aangepakt middels de strafbaarstelling van heling. Een aanpak die werd beperkt door de ‘heler-steler-regel’. Dat wil zeggen dat de dief niet ook als heler kan worden aangepakt, oftewel: de verdachte wordt niet vervolgd vanwege het voordeel dat hij uit eigen misdrijf verkrijgt. De strafbaarstelling van witwassen in de artikelen 420bis, 420ter en 420quater van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kende deze beperking niet. Totdat de Hoge Raad in 2010 een belangrijk arrest wees, waarmee de reikwijdte van de strafbaarstelling is beperkt. Een beperking die bijna zeven jaar later met de inwerkingtreding van de strafbaarstelling van eenvoudig witwassen (artikel 420bis.1 en 420quater.1 Sr) weer is verruimd. Kortom, ondanks dat witwassen een relatief jong delict is, heeft de strafbaarstelling al het nodige meegemaakt.

De kwalificatieuitsluitingsgrond
Bij de creatie van de witwasbepalingen in 2001 heeft de wetgever een ruime delictsomschrijving gehanteerd. Deze ruime delictsomschrijving leidde tot onwenselijke situaties. Het klassieke voorbeeld daarvan is de fietsendief, die wegfietst op de gestolen fiets. Hierdoor maakt hij zich volgens de delictsomschrijving van artikel 420bis Sr zich naast de diefstal ook automatisch schuldig aan witwassen, omdat hij een voorwerp onder zich heeft dat uit misdrijf afkomstig is. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de strafbaarstelling van witwassen hiervoor niet is gecreëerd. Als oplossing voor de ruime reikwijdte heeft de Hoge Raad in 2010 de kwalificatie-uitsluitingsgrond geïntroduceerd [1]. De achterliggende gedachte is dat hetzelfde feitencomplex niet automatisch dubbel moet worden bestraft. Oftewel, voorkomen moet worden dat de fietsendief zowel voor de diefstal, alsook voor het witwassen van de fiets wordt veroordeeld.

Verhullende handeling
Het voorgaande ligt anders als de fietsendief een verhullende handeling ten aanzien van de fiets zou verrichten. In dat geval kwalificeert het gedrag wel als witwassen onder artikel 420bis Sr.
Maar wat kan precies onder een verhullende handeling worden verstaan? In het algemeen is redengevend of de gedraging meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en de gedraging een op het “daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft” [2]. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat onder ‘verbergen’ en ‘verhullen’ wordt verstaan: gedragingen die erop moeten zijn gericht het zicht op (onder andere) de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Ook moeten de gedragingen daartoe geschikt zijn. Zo oordeelde de Hoge Raad dat een door de verdachte opgegeven leugen over de herkomst van het voorwerp niet zonder meer een gedraging oplevert die geschikt is om het zicht op die herkomst te verhullen [3].

Wanneer geldt de kwalificatieuitsluitingsgrond niet? 
De kwalificatieuitsluitingsgrond geldt niet indien het voorwerp “middellijk” (niet rechtstreeks) uit eigen misdrijf is verkregen. Te denken valt aan de situatie dat de voorwerpen die zijn verkregen uit eigen misdrijf direct zijn omgezet in andere voorwerpen, indien er gebruik is gemaakt van de voorwerpen of indien de voorwerpen zijn overgedragen. Ook hier geldt weer een uitzondering, namelijk die van automatische dubbele strafbaarheid op basis van dezelfde gedragingen [4]. In dat laatste geval geldt de kwalificatieuitsluitingsgrond dus weer wel.

Terug naar de ruime reikwijdte van vóór 2010? 
Met de kwalificatieuitsluitingsgrond is de reikwijdte van de witwasbepalingen beperkt. Desondanks heeft het in leven roepen van eenvoudig (schuld)witwassen ertoe geleid dat het enkel verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die afkomstig zijn uit enig eigen misdrijf thans ook strafbaar is. Wel kennen de nieuwe strafbaarstellingen een lager strafmaximum, omdat anders dan in het geval van de artikelen door de verdachte nog geen handelingen (hoeven te) zijn verricht die daadwerkelijk gericht zijn op het verbergen en verhullen van de criminele herkomst.
De strafbaarstelling van eenvoudig witwassen ziet dus specifiek op de situatie van het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk (rechtstreeks) afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Het is in een dergelijke situatie denkbaar dat de tenlastelegging zowel het eenvoudig witwassen als het grondmisdrijf omvat. Oftewel, we lijken weer terug te zijn bij de situatie voorafgaand aan het inroepen van de kwalificatieuitsluitingsgrond.

In dit kader wordt door de Hoge Raad [5] verwezen naar de memorie van toelichting: “Benadrukt dient te worden dat het bestaansrecht van de voorgestelde nieuwe strafbaarstellingen vooral ligt in het voorkomen van straffeloosheid op het moment dat veroordeling voor het grondmisdrijf niet mogelijk is of niet is aangewezen. Dit neemt niet weg dat de vervolging ter zake van de nieuwe misdrijven mogelijk blijft tezamen met vervolging ter zake van het grondmisdrijf. Het feit dat bij een dergelijke gezamenlijke tenlastelegging het strafrechtelijk verwijt ter zake van het witwasmisdrijf sterk in het verlengde ligt van het oorspronkelijke grondmisdrijf kan de rechter ertoe brengen in dat geval aan te nemen dat sprake is van een voortgezette handeling (artikel 56 Sr). (…) Mocht de rechter evenwel bij gezamenlijke tenlastelegging aannemen dat sprake is van meerdaadse samenloop, dan ligt het in de rede – wederom tegen de achtergrond van de nauwe verbondenheid tussen beide feiten – dat bij het bepalen van de straf de bewezenverklaring van de witwashandeling niet van invloed zal zijn op de hoogte van de op te leggen vrijheidsstraf. In lijn met deze uitgangspunten zal ook het strafvorderingsbeleid van het openbaar ministerie worden vormgegeven en openbaar gemaakt.

In deze passage wordt allereerst een opdracht aan het Openbaar Ministerie gegeven. Dubbele strafbaarheid dient alsnog te worden voorkomen. Dit kan bij de wortels worden aangepakt, namelijk door de wijze van ten laste leggen. Tegelijkertijd wordt ook gewezen op de mogelijkheden van toepassing van voortgezette handeling of samenloop. Op deze wijze zal het vervolgen voor het grondfeit en het witwassen bij een eventuele strafoplegging in ieder geval geen extra tik opleveren voor de verdachte.

Bijstand in witwaszaken vereist maatwerk 
Witwaszaken zijn complex en kunnen grote gevolgen met zich brengen. Los van het gegeven dat bij een veroordeling een straf zal worden opgelegd en de betreffende voorwerpen zullen worden afgepakt, kan ook een ontnemingsvordering volgen. Niet voor niets wordt door het Openbaar Ministerie de nadruk gelegd op “afpakken”.
Dankzij ruime ervaring in witwaszaken heeft ons kantoor de nodige deskundigheid in huis.

Wordt u, of iemand in uw omgeving, verdacht van witwassen, schroom dan niet contact op te nemen met ons kantoor.

Mr. M.M.C. Glismeijer
Advocaat bij Van Essen Advocaten

 

 

[1] Hoge Raad 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440
[2] Hoge Raad 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:121
[3] Hoge Raad 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236.
[4] Hoge Raad 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714.
[5] Hoge Raad 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842 (overzichtsarrest witwassen).

Deel dit bericht:
Recommended Posts